Anatomie

Als je muzikant bent of regelmatig een instrument bespeeld is het handig om iets van de anatomie te weten. In dit artikel kan je daar meer over lezen.

Muziek maken doe je met je hele lichaam. Het is wenselijk dat je als musicus leert;

  • Hoe je lichaam functioneert.
  • Welke spieren je moet gebruiken om je lichaam in balans te houden (balansspieren).
  • Welke spieren je gebruikt bij het spelen van je instrument.
  • Welke spieren je niet nodig hebt, en daarom moet ontspannen (passieve speelspieren)

Hoe beter je je balansspieren (lichaamshouding) beheerst, des te minder hoef je je speelspieren te vermoeien. De balansspieren zijn de voeten, de benen, de billen, de rug, de nek, het achterhoofd en de buik (tot boven de navel bij blazers). Blazers moeten namelijk tijdens de ademhaling het bovenste gedeelte van de buik kunnen aanspannen en loslaten. De spieren van het bovenste gedeelte van de buik behoren bij blazers tot de actieve speelspieren. Actieve speelspieren zijn de spieren van de armen, de handen, de vingers en de borst. Passieve speelspieren zijn bijvoorbeeld de spieren boven de schouders. De spieren moeten zoveel mogelijk ontspannen blijven tijdens het spelen. Sommige spieren werken met elkaar samen en andere spieren werken in tegengestelderichting. Spieren die in tegengestelde richting werken worden antagonisten genoemd.
Voorbeeld; als een gestrekte arm gebogen wordt, zijn de strekspieren om de elleboog de antagonisten van de buigspieren die agonisten genoemd worden. Agonisten en antagonisten werken in tegengestelde richting, maar ze werken heel nauw samen en houden elkaar in evenwicht.

De romp

Botten, banden, ligamenten en spieren geven samen stevigheid en steun aan het lichaam. De meeste botten worden door gewrichten en banden beweeglijk met elkaar verbonden. De spieren zijn essentieel voor zowel de stevigheid van die verbinding als voor de bewegingen in de gewrichten en de houding van het lichaam. Er zijn ook botten die onbeweeglijk met elkaar verbonden zijn. Deze botten dienen ter bescherming van kwetsbare organen. Bijvoorbeeld de schedel die de hersenen beschermd. De wervelkolom is het centrale deel van het skelet en is opgebouwd uit zeven nekwervels, twaalf borstwervels en vijf ledenwervels. De wervelkolom rust op het heiligbeen, dat linker en rechter bekkenhelft aan de achterkant van het lichaam met elkaar verbindt.
Aan de voorkant worden de beide bekkenhelften door het schaambeen met elkaar verbonden.

De wervelkolom wordt behalve door banden en ligamenten overeind gehouden door de tegen de wervels aanliggende strekspieren van de rug. De wervelkolom kan worden ingedeeld in een nekwervelgedeelte, borstwervelgedeelte en een lendenwervel gedeelte. De spier en in de nek - en lendenwervel gedeelte werken meestal antagonistisch ten opzichte van de spieren van het borstwervelgedeelte. Dit betekend dat als de strekspieren van het nekwervel en lendengedeelte samentrekt (waardoor een holle rug ontstaat en het hoofd achterovergebogen wordt) de spieren van het borstwervelgedeelte zich ontspannen, waardoor het borstkasgedeelte van de rug inzakt. Dit is een ongewenste houding, omdat tussen de wervels uittredende zenuwen in de knel kunnen komen. De goede houding tijdens het musiceren is de houding waarbij de lendenlordose en de neklordose iets worden verminderd (verplaatsing van de lendenwervels en nekwervels in achterwaartse richting) en het borstbeen naar voren wordt gebracht. Zo worden de houdingspieren in de rug optimaal aangespannen en de werkspieren ontkoppeld van de houdingspieren. De longen en het hart worden in de borstkas beschermd door botten met een beperkte beweeglijkheid; de ribben. Alle ribben zijn aan de achterzijde doormiddel van kraakbeen flexibel bevestigd aan de twaalf borstwervels en zijn van boven naar onderen in toenemende mate naar beneden gericht.
De zeven bovenste ribben zitten aan de voorkant doormiddel van kraakbeen aan het borstbeen. De drie volgende ribben zitten doormiddel van kraakbeen vast
aan elkaar en aan het kraakbeen van de zevende rib.
De elfde en de twaalfde rib zijn kleiner, en heten de zwevende ribben omdat ze aan de voorkant niet vastzitten.
Tijdens de inademing gaan de ribben aan de voorkant naar buiten en omhoog, en aan de achterkant alleen naar buiten.
De borstkas is een soort kubus met zes zijden; een bovenkant (diafragma), zijkanten gevormd door twaalf ribben aan weerszijden, een voorkant bestaande uit het borstbeen en de ribben, en een achterkant gevormd door twaalf borstwervels en de daaraan vastzittende ribben. Het middenrif, dat als een koepelvormige spier- en peesplaat de borstholte van de buikholte
scheidt, zit van achteren naar voren aan de laagste ribben vast. Het wordt strak getrokken als het zich aanspant en nog strakker als de ribben naar buiten gaan.
Dan wordt de buikinhoud naar beneden geduwd en moeten de buikspieren zich ontspannen. Hierdoor komt de buik een beetje naar buiten. Blazers moeten het bovenste gedeelte van de
buikspieren kunnen ontspannen, terwijl ze het onderste gedeelte van de buikspieren moeten blijven aanspannen.

De apenhouding

  • Breng vanuit de heupen het bovenlichaam met een rechte rug iets naar voren zodat de hoek tussen romp en bovenbenen iets minder is dan honderd tachtig graden (als je staat) of negentig graden (als je zit).
  • Houdt hierbij de schouders ontspannen (niet optrekken).
  • Kantel het bekken achterover en span de buik- en bilspieren aan.
  • Breng de schouders iets naar achteren en trek op de rug de schouderbladen recht naar beneden. Dit geeft een gevoel van spierspanning in de rug. Op deze manier kunnen de balansspieren zich maximaal aanspannen en kunnen de rugspieren goed getraind worden.
  • Laat de armen los bungelen zonder de spanning van de rugspieren helemaal los te laten. Het borstbeen moet naar voren en niet naar boven gericht zijn.

Bij de apenhouding is dus het hele bovenlichaam vanuit de heupen een
beetje naar voren gericht. Het hoofd staat recht op de romp, waarbij het achterhoofd zich in het verlengde van de wervelkolom bevindt.

Bij een staande houding moet je erop letten dat de voeten de meeste steun vinden op de bal van de grote teen. Probeer op het midden van de voer te staan, met het gevoel dat je meer op
de hielen staat dan op de voorvoet. Zorg ervoor dat de hoek tussen voet en onderbeen ten hoogste negentig graden is en houd de knieën flexibel, dus niet te gebogen en ook niet overstrekt.
Bij de zittende apenhouding moet je goed op de zitknobbels zitten. De bolspieren hoeven daarbij niet gespannen te zijn. Zet de voeten recht onder de knieën met een hoek van ongeveer negentig graden tussen beven- en onderbeen en tussen voet en onderbeen. De hoek tussen bovenbeen en romp moet iets kleiner zijn dan negentig graden. De rug moet gestrekt
zijn met het borstbeen naar voren. De schouders moeten ook een beetje naar achteren getrokken worden en de armen los van het lichaam laten bungelen. Het hoofd moet recht op de romp staan met de kruin als hoogste punt.